Ransuilen Kooikerspark

Er zijn van die plekken waar je geregeld komt zonder er nou specifiek naar onderweg te zijn. Het dorp (of noem je het al een stad?) heeft een fraaie groene zone door de bebouwing heen, maar ja: teveel honden, teveel herrie. Maar af en toe zijn er goede redenen er wel een kijkje te nemen. Zo bevond zich in een rietrand van de Kooikersplas afgelopen winter opeens een Roerdomp, en scharrelde er opeens een Waterral door mijn kijkerbeeld.

Midden april van dit jaar ontving ik een what’s app-berichtje met een schitterende foto van een Ransuil: de vogel zat langs het wandelpad rond diezelfde Kooikersplas. De vogel bleek niet moeilijk te vinden, hij of zij zat in een hoge wilg recht boven het pad en mocht zich verheugen in een flinke belangstelling van langslopende belangstellenden, al dan niet met hond. De vogel zelf keek rustig terug, trok zich weinig aan van de aandacht. Een Ransuil midden april die op wacht leek te zitten, dat maakte nieuwsgierig en ik besloot de boom ’s goed te bekijken. Bovenin leek een oud kraaiennest te zitten, wat de gedachte opriep dat er wie weet nog wel meer dan die ene uil in de boom te vinden was. Maar dat bleek van onderen kijkend niet goed te beoordelen, de tijd moest maar uitwijzen of er enige juistheid in die gedachte zou zitten.

De weken er op bezocht ik af en toe het park, maar toch kwam, begin juni, opnieuw via what’s app, de melding ‘jonge uilen in het Kooikerspark’ onverwachts. Van een behoorlijke afstand de boom afspeurend bleken er twee donskuikens in de boom te zitten. Ransuilen kende ik tot nog toe van roestplekken en van onregelmatige waarnemingen van in de schemer overvliegende vogels, maar jongen had ik nog nooit gezien. In de telescoop waren de lichtgrijze jongen met die grote zwarte oogvlekken fraai te zien.

Enkele dagen later bleken er drie jongen in de boom, mogelijk een vierde op het nest te zitten. Meestal zaten de vogels hoog, maar af en toe bleek er één erg laag te zitten. Zo zat er een vogel vlak naast het wandelpad op ongeveer anderhalve meter hoogte, die zich prachtig liet zien en fotograferen. De ransuilen werden inmiddels een toeristische attractie en er stonden steeds vaker groepjes mensen onder de betreffende boom, maar de uilen zelf leken er nog altijd geen last van te hebben.

Ik ging mijn bezoekjes verplaatsen naar later in de avond. Rond tienen kwam er meer leven in de eerst passief in de boom hangende jongen: ze begonnen rond te klauteren en de bedelroep klonk steeds vaker. Dat de vogels nog niet erg handig waren, bleek toen een jong zich enkele meters naar beneden liet vallen en op een veel te dunnen twijg wilde gaan zitten, om zijn as tolde en ondersteboven bleef hangen aan één poot. Je zag de vogel denken: “hoe kom ik hier nou weer uit!?”. Op 11 juni noteerde ik dat de vogels ook, zij het nog niet zo subtiel, door de boom begonnen te vliegen. Regelmatig klonk de, bijna blaffende, alarmroep van pa of ma, als ook de meer zuchtende roep. Naarmate de jongen groter werden leken deze minder beschermend te worden benaderd: de alarmroep werd niet meer gebruikt.

De dagen erna bleken de uilen soms lastiger te vinden: ze hadden hun vertrouwde boom verlaten, op een nakomertje na, die duidelijk kleiner was dan de anderen. Soms vond ik in een boom één jonge vogel, maar als het dan iets later werd doken er opeens nog een paar op uit het, inmiddels dichte, bladerdek. De uilen toonden veel belangstelling voor wat er onder hen op het pad gebeurde: met veel kopknikken en blikken naar beneden. Inmiddels was duidelijk dat er zelfs sprake was van vijf, nee, later zelfs van zes juveniele vogels, die hoe later het werd steeds actiever werden en regelmatig van boom naar boom vlogen, vaak heen en weer. De oudervogels vlogen regelmatig af en aan met een muis, waarschijnlijk bejaagd net over de rondweg.

Enkele dagen lang was een hoge treurwilg de vaste zitplek: van onderen kijkend zag je zeven uilen zitten, zes jonge en één oudervogel. De belangstelling voor deze groep was nog altijd groot en ook fotografen wisten de boom te vinden, al merkten zij op dat fotograferen van onderaf niet meeviel. Het was komisch om alle voorbijgangers moeizaam te zien turen tussen de takken, waarbij er af en toe een enthousiaste kreet klonk als iemand ‘beet had’. Naarmate het donkerder werd bleven de ‘echte fans’ over, waarbij gesprekken over het gedrag van de vogels en het WK-voetbal (‘Dit is toch veel leuker’) ontstonden.

De uilen hadden inmiddels ook de lokale pers bereikt, werden bijna een soort ambassadeurs van stadsnatuur. Mooi om mee te maken was dat iedereen er plezier in had, van hondenuitlater tot jogger tot vogelaar. Al werd het mij af en toe wat te druk, de uilen keken rustig naar beneden en bleven onverstoorbaar.

Nu, begin juli, ben ik het zicht op de familie kwijtgeraakt. De uilen zijn niet terug te vinden, hebben zich mogelijk verspreid of zijn naar een ander terrein vertrokken. Het park ligt er weer rustig bij, af en toe is er een IJsvogel te horen, en hopelijk volgt er binnenkort weer ’s een goede reden het park opnieuw te bezoeken.

Jeroen Steenbergen